Beste bouwkunde,

Dinsdag 13 mei reed ik, terugkomend van een vergadering in Rotterdam, betreffende een ontwerp dat op een steenworp afstand van Bouwkunde ergens tussen Schie en de Rotterdamseweg moet worden gerealiseerd, om ca 13.00 uur op de A13 langs Delft. Er was een grote file tussen Rotterdam en Delft-Zuid en daardoor reed ik tergend langzaam langs het gebouw van Bouwkunde. Er kwam rook uit. Echter in vergelijking met de schokkende beelden van ingestorte gebouwen uit China en Birma stelde dit niks
voor. De file was voorbij en vol optimisme, dat een architect nu eenmaal beroepsmatig moet hebben, reed ik door naar Scheveningen met de gedachte: dat komt wel goed!
Dat was mijn laatste blik op het gebouw. Zesendertig jaar eerder huppelde ik voor het eerst Bouwkunde binnen. Mijn eerste atelier was bij Astrid Keers en Aldo van Eyk.. De eerste bespreking met Aldo van de ontwerpopdracht staat nog helder op mijn netvlies. Het betrof een locatie op een steenworp afstand van Bouwkunde ergens tussen de Schie en de Rotterdamseweg gesitueerd. Nadat hij eerst zwijgend alle schetsen van de groep had bekeken ging hij bij mijn tekeningen staan en vroeg mij waarom ik een lantarenpaal had getekend. Zonder op mijn antwoord te wachten ging hij vervolgens een uur lang college houden over het registreren van soms ’onbetekenende’ details. Niet uit het veld geslagen na deze onbegrijpelijke les dacht ik: het komt wel goed met deze studie.
Mijn laatste lessen in het gebouw werden getekend door de flitsende afwezigheid van een nieuwe gastdocent: Rem Koolhaas. Echter menig keer luisterden ik met een vijftal medestudenten (o.a. Herman de Kovel, Kees Christiaanse en Paul de Vroon) naar een bloemrijke uitleg die Gerrit Oorthuis ons wist te geven over de wispelturige en structureel onbetrouwbare agenda van Rem.
En tussen deze twee uiterste leerervaringen verslond ik vooral alles wat de vrolijke wetenschap te bieden had. Het gebouw heb ik vooral leren kennen en waarderen tijdens een patafysisch onderzoek, betreffende de vermeende synestetische correspondentie van ruimte, kleur en geluid. Wij begaven ons met speciale ‘meetinstrumenten’ naar iedere uithoek van Bouwkunde en haar omgeving om ons wetenschappelijk werk te verrichten.
Ons onderzoek uit 1974, volledig uit eigen middelen betaald, resulteerde in de conclusie dat deze synesthetische ervaring wel de literaire theorieën van onder ander Baudelaire en componisten als Messiaen en Cage bevestigen, echter dat hiermee nog geen wetenschappelijk bewijs werd geleverd voor een fundamentele psychofisische eenheid der zintuigen. Dat maakte niet uit want vervolgens ging ik een etage hoger een studie maquette maken van Loos bij Max Risselade, werd een heel jaar lang al je ontwerpwerk psycho-cybernetisch geanalyseerd door Michiel Polak, en kreeg ik vervolgens van Kees Vollemans te horen dat een sluitende rationalisering van de stedelijke orde niet te realiseren was en dat de actuele situatie in architectuur en stedenbouw — anno tijdperk Tafuri samen te vatten is tot ‘sublieme nutteloosheid’ – een vorminstantie zonder utopische functie en werking.
En dat kon allemaal (alleen) in dat gebouw. Dat gebouw dat er nu geblakerd en nutteloos bijstaat. Toch wel een beetje subliem.

Foto gemaakt door Hans Doets: synesthetisch onderzoek van het gebouw Bouwkunde, vlnr Adriaan van Binsbergen, Sjoerd Gjattema, Eric Vreedenburgh.

#010
Naam: Eric Vreedenburgh
Band met Bouwkunde: Alumnus en onderzoeker
Periode: 1973 - 1982
Huidig werk: Oprichter Archipelontwerpers