Bijdragen

Rudy Stroink

Beste bouwkunde,

Ik heb geen bijzondere band met het gebouw als ding zeg maar. Dat ligt vooral aan mij, ik hecht mij slecht aan materiaal, ook al is het gecomponeerd door een beroemd architect. Ik had eigenlijk gewoon een hekel aan de collegezalen in het gebouw. Betrouwbaar vormgegeven en daardoor zonder emotie, een groot contrast met de lezingen die ik er gehoord heb van inspirerende mensen als Carel Weeber, Herman Herzberger, Aldo Rossi, Kees Vollemans, Jaap Bakema, waardoor de liefde voor het vak ontstond. Het leukste plekje was op de tussenverdieping, daar zat je tussen een knusse wirwar van houten schotten, dan zag je het gebouw wat minder. Architecten, zo heb ik in die tijd ontdekt, zijn erg betrokken bij het ontwerpen en bij het bouwen, niet bij het beheren. Ik vond altijd het spektakel aan de binnenkant leuker. Ik heb me toen bijvoorbeeld heel erg druk gemaakt om het personeel die met het Bouwkunde gebouw bezig was, zoals de kantinejuffen en de conciërges, in eigen dienst te houden, terwijl de hoge heren van het hoofdgebouw hen wilde out-sourcen. Wij wilden dat iedereen zich lid van het Bouwkunde collectief voelde of je nu student, wetenschappelijk of niet wetenschappelijk personeelslid (sic!) was en dat je niet vandaag Bouwkunde moest doen en morgen, godbetert, Civiel. Het collectief dat heb ik goed gevoeld en gekoesterd, zeg maar de zoete zachte vulling van het gebouw. Ik heb gelachen, geschreeuwd, gevochten (met de reactionairen) gefeest, geleerd en vooral veel vergaderd. Je ging met plezier ’s ochtends (rond 12 uur) op je fietsje naar het laatste gebouw van de TU-wijk, (dat waren we wel: het artistieke familielid dat aan het uiteinde van de tafel was gezet) en je wist er ging altijd weer wat gebeuren die dag. Tot de hoogtepunten behoorde ondermeer de opening van de houtskelet tentoonstelling georganiseerd door profesoor Gout, waar wij studenten nut noch maatschappelijke noodzaak van zagen. Hij had de ambassadeur van Zweden uitgenodigd voor de officiële opening onder motoragenten begeleiding. Kunt u het zich voorstellen? In ons gebouw, motoragenten! Als bestuurslid van de faculteit moest ik mij loyaal opstellen ten opzichte van de gebeurtenis, maar mijn vrienden hadden een acteur bereid gevonden, als nep ambassadeur iets eerder aan te komen en tentoonstelling illegaal/anarchistisch te openen. Hij kwam, samen met zijn eveneens ietwat gevulde nep eega, op de achterbank van een DAF 55 met twee mannen in leren jassen op brommers, voorrijden. De verwarring en vooral de boosheid van de heer Gout was hilarisch, wat ons betreft. De echte ambassadeur was zo sportief de nep ambassadeur, uit te nodigen samen de tentoonstelling te openen. De acteur sprak de onvergetelijk worden uit bij de opening: knudde, kleute knäckebröd. Dit stond voor onze visie op de maatschappelijke relevantie van houtskeletbouw, we wisten toen nog niets van duurzaamheid en cradle to cradle. Het gebouw heeft ook nog een rol gespeeld in een van de vele acties die wij hebben gevoerd voor gelijke stemrechten van studenten, dit om de ondragelijk macht van de professoren te breken. Om de kracht en de omvang van de studentpopulatie tot uitdrukking te brengen, hadden we bedacht dat elke student een schuurpapiertje zou krijgen, die bij elke passage langs de paal van de hoofdentree gehaald moest worden. Deze actie ging door, zo was het plan, totdat we gelijk kregen, of het gebouw zou instorten. Het is anders gelopen. Niet de massa bepaalde het lot van het gebouw, maar onze trouwste bondgenoot, de koffie. Zonder koffie waren de lange discussie avonden over de wereld, evenals het nachtje doorwerken voor het tentamen, nooit gelukt en was ik nooit ingenieur geworden. Ik heb veel van het gebouw geleerd dus, ondanks mijn afstandelijkheid tot haar, maar ik heb vooral veel van het collectief geleerd wat het gebouw inhoud heeft gegeven.

Lees verder…

Rogier van Keulen

Beste bouwkunde

It’s the smell.….….….

… toen ik voor een Boss-dag, na twintig jaar, terugkwam op Bouwkunde was de herkenning van de geur het eerste dat me opviel. Een geur; stof, zweet, inspanning, studenten en een gebrek aan ventilatie.… Met de geur komen meteen de beelden en herinneringen.

Flitsen; mijn eerste stappen in een zelfstandig leven, een zich ontwikkelende eigen visie, een eigen mening, los van huis, los van iedereen. Een visie over het waarom, het idee achter de vorm, achter de visie, achter het ontwerp, achter mijn mening.

Flitsen van het bewust waarnemen en observeren. Een “meltingpot” van visies, informatie, creativiteit, techniek, humor.….…..De eerste colleges, m’n A1 tot en met mijn A12, dictaten kopen, de hal, de kantine. Lopend rond de carrousel van materiaalkunde.…beuken, eiken. Afstuderen op zaal.

Bouwkunde vormde een bronpunt waar ik me kon ontwikkelen. Een stuk in mijn ontwikkeling. Een belangrijke sport op de ladder naar nu.

En nu kijkend over de rokende resten van Bouwkunde.

Die geur is weg, maar de herinneringen staan geëtst in m’n geheugen. We nemen gezamenlijk een stap op de ladder.

Lees verder…

Piet Vollaard

Lief Bouwkunde,

Wat een mooie fik maakte je ervan. Een fik waar vakmatig nog lekker over kan worden doorgeouwehoerd, eentje die een langlopende samenzweringstheorie verdient. En wat een uitgewogen vuurchoreografie van zigzagpatronen. Mooi dat water zo’n prominente rol speelde; wateroverlast veroorzaakt kortsluiting in een op water draaiende koffiemachine, het water van de slotgracht houdt de brandweer op afstand, die aanvankelijk onvoldoende waterdruk heeft om de superwaterspuit in te zetten… Water en vuur, je was altijd al – mooi-lelijk, nuttig-nukkig — een contradictie in beton.

Toen ik vanuit mijn kantoor in het Groothandelsgebouw dreigende rookwolken aan de horizon zag verschijnen, en al snel berichten volgden dat jij het was die in brand stond, besloop mij toch de onvermijdelijke eindelijk-de-school-in-de-hens gedachte. Maar ja, wat heb je daaraan als het bijna 25 jaar te laat is? Hoe ouder, hoe sentimenteler kennelijk, want tot mijn eigen verbazing bleek ik warmere gevoelens voor je te koesteren dan ik voor mogelijk had geacht.

Want laten we eerlijk zijn schatje, echt mooi was je niet. Wel lekker makkelijk in de omgang. Ogenschijnlijk saai, maar betrouwbaar en vol van onvermoede, sensuele diepgang toen ik je eenmaal goed leerde kennen. Dat was in ‘78 toen ik voor het eerst als hoofd bierlogistiek meedraaide in de organisatie van het Bouwkundefeest. Ik was onmiddellijk verkocht en deed latere jaren nog twee keer mee door samen met Bernard Heesen (toen een beest pur sang, nu paradoxaal genoeg beroemd glaskunstenaar) de keldergang grimmig-feestelijk aan te kleden. Tijdens die grootse gebeurtenissen ontpopte die grijze muis zich opeens tot een genadeloos feestbeest. Je dreunde en stampte, je flikkerde en zwaaide, je rook naar bier en zweet. En diep in de nacht opende je in de kelder je diepste, meest intieme delen. Opeens bleek je voorzien van geheime krochten, van duistere plooien en oksels, van geurende holtes en stinkende kanalen.

Daar, in jouw meest indringende ruimte, die onderaardse lage-lange-rechte gang met die vreemd-subtiele bajonet halverwege, leerde ik je pas echt kennen. Jouw diepste geheimen, jouw echte schatten werden alleen door dat kanaal ontsloten. Daar lagen de kelders met weinig gevraagde, maar o zo bijzondere tijdschriften, kasten met lang vergeten tentoonstellingen, nooit bekeken dia’s, ooit getekende gipsmodellen. Subtiel geurend naar fietsbanden en motorolie, wapperend en kletterend je luchtkanalen, schurend en schavend je baksteen muren. Eens te meer bleek dat je het ware karakter van een huis moet zoeken in de kelder en op de zolder. Want ook daar in de hoogte, in dat geheime kraaiennest boven de laatste liftstopplaats, met een magistraal uitzicht over stad en ommeland, was je mooi en groots.

Vaarwel Bouwkunde. Je bleek een onverwachte koningin. Maar de koningin is dood, dus leve de nieuwe koningin!

Piet Vollaard

Lees verder…

Pi de Bruijn

Beste bouwkunde,

MIJN BOUWKUNDE’S

Bouwkunde 1, Oude Delft (’60-’67)

vergeten
kruipdoor sluipdoor
niet eens een gebouw
samenraapsel
onhandig, onpraktisch
brandgevaarlijk
te klein, geen parkeerruimte
geen licht, lucht groen
water, snelweg… 
om nooit te vergeten
stads, gezellig
station, de vierkante hal, de kantine
Tonny Z., Gerrit S., Max R., Nan R.,
C.Wegeners, Carel W., Jacob B.B., Govert G.,
Izak S., Gerrit O., Jean L., Marietje van A.,
Fred Sch., Henny S., Jan Willem de K.,Pjotr G.,
Liesbeth P., Dicky K., Jelle J., Cees en Bonnie A.,
Michiel P., Herman, Hugo Pr., Jan Frans den H., Els B., Henk van W., Ab O., Wout Ell, Emieke S., Joop H., Margreeta B., Cees B., Rijn S.,… 

Bouwkunde 2, Berlageweg (’95-’00)

vergeten
in nowhereland
onbereikbaar
hopeloze oriëntatie
brandgevaarlijk
niet gecompartimenteerd
de koffieautomaten
fietsen, bus, slecht weer,
station 
om nooit te vergeten
het parkeer terrein
de hal, Carel W. tafels, zaal A, de bibliotheek,
de blokkenhal, de dubbelhoge studio’s,
Leen van D., Umberto B., Hans de J., Dirk F.,
Stefan van der S., Taeke de J., Peter Paul v. L.,
Herman, Carel W., Joan Kr., Mick E., Jan V.,
Arie Kr., Berenbak, Sjierk H., Max R.,
Herman H., Wiek R.,Cees D., Willemijn WF., André Th., Jürgen R., Franziska B., . 

Bouwkunde 3, (From here to eternity)

vergeten
Aarde Bouw Vuur Kunde 
om nooit te vergeten
Water Bouw Lucht Kunde 
Lees verder…

Peter Masselink

Beste bouwkunde,

Een bestelwagen en aanhanger met daarop ruim 300 kilo gips, liters ecoline in diverse kleuren, zakken met gemalen houtskool en kleine larix balkjes. Dat alles in een vorm gegoten en verpakt in twee verrijdbare kisten. Samen goed voor ruim 2m2 aan maquette.

Zo kwam ik schaamteloos aan bij de TU in Delft voor de Archiprix 2003 tentoonstelling. Henk van der Veen, in de wandelgang ook wel mister Archiprix genoemd, had aangegeven dat maquettes aan de presentatiewanden van de faculteit moesten kunnen worden opgehangen. Ik kende die presentatiewanden niet, maar had een donkerbruin vermoeden dat dit sowieso niet ging lukken. We rolden de kisten op de plek van bestemming en mijn vermoeden bleek juist. Kijkend naar de dunne groene wanden met gaten vroegen we Henk cynisch “waar kunnen we de maquette ophangen?” De maquette van 1,5x1,5m groot werd gedoogd in de gangen tussen de presentatiewanden en prijkte later op de cover van de Architect.

Lees verder…

Peter Markensteijn

Beste bouwkunde,

In een e-mail meldde iemand op 13 mei 2008 dat een afspraak moest vervallen omdat hij het Delftechpark niet afkon vanwege de grote brand bij Bouwkunde. Bouwkunde! Hoeveel voetstappen heb ik daar liggen?

Vanuit Rotterdam konden we de rookwolken vaag zien. Op Nu.nl stonden al foto’s. Ik dacht meteen aan de stoelen. Stoelen die vaak bij de tekenlessen werden gebruikt. Stoelen die de dagen daarna veel in het nieuws waren.

Mijn tekeningen heb ik nog.

Lees verder…

Paul Peeters

Beste bouwkunde,

Enkele herinneringen in volgorde van opkomst
— elektrische straalkacheltjes in de collegezalen
— zelden ben ik door de voordeur naar binnen gegaan
— de slanke kolommen over grote hoogte bij de hoofdingang, nóóit meer zei Prof. Dicke in een college
— de deurgrepen van de trappenhuizen die moesten worden vervangen omdat je je vingers klemde
— de intrigerende patroonwisseling van de leistenen vloer in de centrale hal, waarvan ik me alleen kan herinneren dát zij intrigerend was
— een afstudeerwerkplek op de hal omdat de tekenzalen overvol waren, wel lekker rustig overigens; of dat volgens de brandweervoorschriften was is nooit aan de orde geweest
— de verschillende “bedienden” Ben van der Kruk, Herman die geen achternaam had en Bosman die geen voornaam had

Lees verder…

Patrick D. Sartorius

Beste bouwkunde,

De herinnering blijft

Nadat mij op mijn vakantieadres het bericht had bereikt over de brand en de onvermijdelijke sloop van Bouwkunde moest ik vrijwel direct denken aan een citaat uit het boek “Ooit Gesloopt Nederland” (ISBN 90 234 5289 5, Jord den Hollander): .…”Het treurigste gevoel dat ik ken,” schreef Rudy Kousbroek, “is de weg te weten in een gebouw dat niet meer bestaat”.….…

Na ruim zes en een half jaar studie is Bouwkunde een vast onderdeel van je leven geworden. Na het afstuderen natuurlijk blij dat het erop zit en dat je met de pas verworven kennis de wereld kan gaan veroveren en Delft achter je kunt laten. De wereld in ja. Maar Delft achter je laten nee. De eerste jaren na m’n afstuderen kwam ik nog regelmatig op Bouwkunde bij de afstudeerpraatjes en de kerstborrels. Later werd dat minder doch de laatste jaren toch weer zo goed als jaarlijks een weerzien met Bouwkunde bij de BOSS bedrijvendagen. De laatste keer in april van dit jaar, slechts twee en een halve week voor de fatale brand.

Iedere keer als ik weer in het gebouw was nam ik de tijd om even door het gebouw te lopen om de sfeer te proeven. In de loop der jaren is er natuurlijk veel veranderd aan het gebouw maar één ding is altijd gebleven: de sfeer. Iets ongrijpbaars maar o zo herkenbaar voor eenieder die er heeft gestudeerd of gewerkt. Een gebouw waar je tijdens je studie graag was vanwege de gemoedelijkheid en de uitstraling: een unieke combinatie van een gebouw en zijn bewoners. Je ging niet naar bouwkunde, je deed Bouwkunde, je was Bouwkunde. Ook na je afstuderen. Nog steeds, ook al is Bouwkunde niet meer.

Momenteel rest slechts nog een trieste ruïne die binnen afzienbare tijd ook een herinnering zal zijn. In de tijdelijke onderwijsruimten in de nabijgelegen tenten ontwaart zich echter alweer de onmiskenbare sfeer van Bouwkunde.

Lees verder…

Oscar van Strijp

Beste bouwkunde,

Het gebouw voor Bouwkunde heeft ons, bijna ongemerkt, de modernistische architectonische principes eigen gemaakt en het is hét referentiekader voor een groot deel van de Nederlandse, maar ook vele buitenlandse, architecten.

Het leerde ons een rationele kijk op architectuur.
Het leerde ons de mogelijkheden van techniek.
Het leerde ons kennis van materiaal.
Het leerde ons het effect van ruimtelijkheid.
Het leerde ons de principes van licht en lucht.
Het leerde ons maat en schaal.
Het leerde ons monumentaliteit en de menselijke maat.
Het leerde ons de betekenis van ontmoeten.
Het leerde ons het beeld van sculpturaliteit.
Het leerde ons de mogelijkheden van textuur.
Het leerde ons de eigenzinnigheid van gebruik.
Het leerde ons de tijdloosheid van architectuur.

Desondanks hebben er door de jaren heen verschillende rommelige verbouwingen plaatsgevonden. Om dit in de toekomst te voorkomen en fouten uit het verleden te herstellen hebben we enkele jaren geleden een handboek ontwikkeld om het waardevolle te behouden en diverse noodzakelijke aanpassingen mogelijk te maken, zonder dat de architectonische principes van het gebouw geweld aan worden gedaan.

De laatste jaren zag je de positieve uitwerking op het gebouw. Het gebouw beleefde een hergeboorte. Moeiteloos absorbeerde het de nieuwe tijd.

Nieuwe vluchttrap Bouwkunde (2003) Zelfdragende stalen sculpturale trap naar analogie van het hoofdtrappenhuis.
Architect: ir. O.M. van Strijp Broekbakema

Lees verder…

Moshé Zwarts

Beste bouwkunde,

De laatste jaren van mijn studie (1960–1963) was ik student assistent bij van den Broek. Ik studeerde nog aan de Oude Delft. Het was een prettig gebouw. Het was heel klein, maar er waren ook maar weinig studenten. Hoogleraren waren toen nog echte autoriteiten die zich, vanwege hun autoriteit, konden permitteren regelmatig afspraken niet na te komen. Het was volstrekt ‘normaal’ om drie uur voor het kabinet (zo heette de kamer van een hoogleraar) te wachten tot de professor eindelijk arriveerde. Van den Broek was geen uitzondering t.a.v. dit gedrag, maar was wel b.v. bereid om, als het erg laat werd, je mee te nemen in zijn prachtige Studebaker (ontwerp van Raymond Loewy) naar zijn kantoor in Rotterdam om daar rustig met je te kunnen spreken. Min of meer rustig, omdat er altijd telefoontjes tussendoor kwamen. Eén telefoongesprek herinner ik me nog goed het was met de ‘bouwcurator’ van het college van curatoren. Nu heet dat college van bestuur. Van den Broek had het telefoongesprek aangevraagd en deed iets wat in die tijd voor een architect eigenlijk strikt verboden was: hij probeerde een opdracht te verwerven die waarschijnlijk, zonder dit gesprek, naar zijn collega Rozenburg zou gaan. Enige achtergrondinformatie is hier noodzakelijk.

Van den Broek en van Eesteren waren de eerste echte ‘modernen’ die hoogleraar op Bouwkunde werden. De ‘Delftse School’ vierde hoogtij en de komst van twee vertegenwoordigers van ‘het nieuwe bouwen’ was revolutionair te noemen.

De Technische Hogeschool Delft had grote uitbreidingsplannen in de Wippolder. Het eerste gebouw dat daar gerealiseerd werd was het gebouw voor Werktuigbouw. Het werd ontworpen door Rozenburg. Het was niet een echt classicistisch gebouw, maar modern was het bepaald niet. Van den Broek wilde dat de Hogeschool een modern karakter zou krijgen en hij wilde natuurlijk ook graag dat dit karakter door zijn bureau (Van den Broek en Bakema) bepaald zou worden.

In het bewuste telefoongesprek legde hij uit dat doorgaan met Rozenburg niet goed zou zijn voor het imago van de Hogeschool en dat het veel beter zou zijn als zijn bureau de nieuwe gebouwen in de polder vorm zou mogen geven. Dat lukte hem! Eerst bouwde van den Broek en Bakema het ketelhuis. Prachtig. Later volgde het gebouw voor Bouwkunde, Civiele techniek en de aula. Van al die gebouwen is dat voor Bouwkunde m.i. verreweg het beste. Ik begeef me op uiterst glad ijs als ik hiervoor een verklaring probeer te geven, maar waag het er maar op.

Het gebouw voor Bouwkunde ontstond uit een coproductie tussen van den Broek en Hans Boot. Hans Boot deed het feitelijke werk en van den Broek commentarieerde. Het was een fantastisch duo. Bij de gebouwen daarna, denk ik, dat Bakema een grotere rol speelde. Bakema was een bezeten man. Ongetwijfeld een belangrijke architect, maar miste de rust die van den Broek en Boot hadden. Bakema geloofde in ‘het grote gebaar’. Als ik voor de imaginaire keuze gesteld zou worden of de aula of het gebouw voor Bouwkunde zou moeten afbranden dan zou ik niet twijfelen en de aula laten affikken.

Toen ik later zelf hoogleraar in Delft werd en gewoon een kamer in plaats van een kabinet kreeg, genoot ik intens van het gebouw. Het was ontworpen voor een onderwijssysteem dat niet meer bestond, maar het had een flexibiliteit die het mogelijk maakte dat het steeds een goed bruikbaar gebouw bleef. Het was stoer. Het was mooi afgewerkt. Die trappenhuizen met die prachtige dikke aluminium leuningen bleven in de loop der jaren perfect. Het was een feest om college te geven in zaal A. De hal met de tafels van Carlos Weber was een echt ontmoetingspunt.

Het is allemaal een beetje treurig, maar het geeft ook mogelijkheden om iets nieuws te maken. Het zal wel een buitenlandse grootheid worden, die dit mag doen. Als er nog een bouwcurator bestond zou ik hem nu opbellen om te melden dat ik graag het nieuwe gebouw zou willen ontwerpen.

Lees verder…