Beste bouwkunde,

Begin 2008 liep ik door de blokkenhal. De tentoonstelling voor de selectie van Archiprix stond daar tijdelijk opgesteld opdat de jury zich een oordeel kon vormen over de 28 inzendingen namens Academies van Bouwkunst en andere universiteiten. In alle hoeken en gaten direct om mij heen werd gewerkt of verbouwd. Tot op elke kubieke centimeter gebeurde wat en toch was het kalm. Ik liep Herman Kossmann, één van de ontwerpers van het vernieuwde interieur van bouwkunde, tegen het lijf. Hij kwam kijken naar de aldaar door hem ontworpen flexibele werkplekken. Het was een soort orthogonale slang, die vrijwel gereed was en op de plaats was gekomen van vele kabinetten die daar ooit waren en nimmer leken weg te gaan. Ik sprak met Herman over deze verandering, over hoe fantastisch het gebouw is en dat het gebouw dergelijke ingrepen zeer goed kan hebben. Terwijl timmermannen de laatste details nog aan het afwerken waren schoven de eerste studenten hun stoelen aan en vouwden hun laptops open. Ontwerpgesprekken gingen dwars tussen uitvoeringswerkzaamheden door. Wat een dynamiek. Iedereen leek uit de thuisholen te komen om op bouwkunde elkaar te ontmoeten, te overleggen, te zien wat er gebeurd. Ik had me eigenlijk nooit zo gerealiseerd dat dat dwars door het gehele gebouw zou kunnen, dus ook tot in de blokkenhal aan toe. Alle hoeken en gaten moesten worden benut, zo werd me duidelijk, om de grote toeloop van studenten te kunnen huisvesten en vooral samen te brengen. Die sfeer hing op dat moment in de lucht. Niet enkel de beroemde straat vanaf de hoofdentree diep naar achteren het gebouw in maar dwars, overal door het gebouw.

Vijfentwintig jaar eerder was ik er afgestudeerd en dit gebouw had me eigenlijk nooit meer los gelaten. Het voelde als een machine van werklust, als een interieur van aanleidingen, als een object van “ontwerpen, nu of nooit” zoals iemand op één van de vele houten schotten had geschreven. Het was het gebouw van overal daglicht, van het knisperende geloop over de cocosmatten wanneer je de uiterst gedistingeerde bibliotheek inliep. Het was het gebouw van de lange looplijnen maar waar je altijd wist waar je was. Het was het gebouw waarvan je zeker wist dat je nooit overal geweest kon zijn maar waar je wel van voor kon stellen hoe het op de plekken kon zijn waar je nooit kwam. Het gebouw liet zich lezen als een vanzelfsprekend boek.

Ik vergeleek het gebouw met de helderheid van een luciferdoosje: typografisch sterk als beeld, je schuift er zo in en nu maar voelen of jij de juiste lucifer bent die in deze doos past. Het doosje kon mutvol zijn, zoals tijdens de beroemde bouwkunde feesten aan het einde van een studiejaar, maar het kon ook bevrijdend leeg voelen en je bekruipen met een gevoel van: waarom is hier niemand, wat is er aan de hand. Het was een gebouw van het ultieme contrast: de introverte kabinetten tegenover de extroverte ateliers, het gebouw van de geniale gonzende zaal A tot de gore croquettenlucht die telkens weer opsteeg uit de kantine.

Alles was goed aan het gebouw, de lengte, de breedte en vooral de hoogte waar je ook was in welke ruimte. De robuustheid paste bij deze gereedschapskist als ontwerpopleiding. En de lucifer paste als vanzelfsprekend op elke plek waar je kwam. Nergens was je verlaten, nergens was je teveel. Bouwkunde was het juiste gebouw, op de juiste plek in de juiste tijd.

#a:1:{s:4:"text";s:2:"56";}
Naam: Thijs Asselbergs
Band met Bouwkunde: a:1:{s:4:"text";s:76:"Alumnus, hoogleraar architectural Engineering aan de faculteit bouwkunde TUD";}
Periode: a:1:{s:4:"text";s:11:"1975 - 1982";}
Huidig werk: a:1:{s:8:"textarea";s:34:"Directeur aTA/architectuurcentrale";}